Al aan het begin van de 18e eeuw komt de benaming ‘het Spoel’ voor omdat op deze plek een sluisje gemaakt was om een einde te maken aan de terugkerende wateroverlast in het Culemborgse Veld. Deze eerste sluis bij het Spoel wordt al snel onbruikbaar door de stijging van de Lek.
Verdediging van het ‘hart des lands’
In januari 1795 is bij dit bolwerk aan het Spoel daadwerkelijk strijd geleverd tegen de Fransen. Toen de Fransen in 1794 onder leiding van generaal Pichegru de noordelijke Nederlanden binnentrokken, werd ter hoogte van het Spoel een groot gat in de Lekdijk gegraven om de polders onder water te zetten en zo de inval van de vijand te belemmeren.
Ter verdediging van deze coupure werd een stelling aangelegd: een zogenoemd verdedigingswerk, een aarden verschansing bemand door soldaten met geweren en kanonnen. Zo ontstond de naam Werk aan het Spoel. ‘Werk’ is een afkorting van verdedigingswerk, en ‘Spoel’ verwijst naar de spoelsluis die hier rond 1700 lag, waarmee de polder werd doorgespoeld: vuil water naar de Lek, schoon water naar binnen. Zoals gebruikelijk zijn forten en werken vernoemd naar herkenbare plekken in de omgeving.
Werk aan het Spoel heeft niet altijd zo geheten. In 1795 stond deze plek bekend als Dijk-post aan het Spoel beneden, onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie. Met de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vanaf 1815 werd deze post opgenomen in het nieuwe verdedigingssysteem en in de loop van de tijd meerdere keren aangepast en versterkt. Na een eerste verzwaring rond 1848 kreeg het de naam Post aan het Spoel. In 1875 ontstond, na verdere aanpassingen, de huidige vorm en werd de naam Werk aan het Spoel in gebruik genomen.
Op voorstel van Krayenhoff, Inspecteur-Generaal der Fortificatiën onder koning Willem I, werd in 1815 besloten om voor de verdediging van het ‘hart des lands’ de Nieuwe Hollandse Waterlinie aan te leggen. Het doel was door nauwkeurige beheersing van het peil het terrein 40 cm onder water te zetten , te inunderen. Hierdoor werd het zicht op de wegen maar ook op de sloten en bestaande vaarwegen weggenomen. Doorwaden en bevaren werden daardoor onmogelijk gemaakt.
Jan Blanken, de Inspecteur-Generaal van de Waterstaat, liet in 1815 een inundatie-sluis met een bijzondere constructie bij het Spoel aanleggen. Deze sluis, een zogenaamde waaiersluis was zo ontworpen dat de sluisdeuren ook tegen hoog water in met mankracht konden worden geopend of gesloten.
Ter verdediging tegen een vijand die ondanks de inundaties toch via dijken en de rivier kon binnenvallen werden twee enorme forten gebouwd, Fort Everdingen en ten noorden van de Lek het Fort Honswijk. Deze Forten werden ook voorzien van sluizen en inundatiekanalen om het gehele gebied tussen Lek en Linge en het terrein ten noorden van de Lek te inunderen.
Werk aan het Spoel kreeg als taak de nabij gelegen waaiersluis te beschermen en de vijand enige dagen op te houden zodat Fort Everdingen in gereedheid gebracht kon worden.
In 1853 werd de Kringenwet ingevoerd die met strenge bouwmaatregelen voorzag in een vrij uitzicht en schootsveld rondom de werken. Rondom ieder vestingwerk lagen drie kringen, namelijk op 300, 600 en 1000 meter afstand. Zo mocht binnen de kleinste ring uitsluitend in hout worden gebouwd.
In de jaren 1876-1879 werd Werk aan het Spoel steeds aangepast aan het steeds krachtiger wordende geschut, zo werden bijvoorbeeld vier bomvrije gebouwen gebouwd, voorzien van een aarden dekking.
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie onder dreiging van een Duitse inval opnieuw versterkt. Tussen september 1939 en maart 1940 ontstonden er in de omgeving van Werk aan het Spoel en fort Everdingen groepsschuilplaatsen, mitrailleurkazematten en tankversperringen.
Na de tweede wereldoorlog had de Nieuwe Hollandse Waterlinie haar oorspronkelijke functie definitief verloren. Het werkelijke einde gebeurde in 1963 bij het buiten werking stellen van de Kringenwet. In de daaropvolgende jaren werd dan ook een groot aantal forten door het Ministerie van Defensie afgestoten. Werk aan het Spoel en Fort Everdingen bleven echter in militair gebruik. De eerste naoorlogse gebruiker van Werk aan het Spoel was de Vaarschool van de Genie (1951-1956). In 1957 is het complex in gebruik genomen door de EOD. Van Fort Everdingen was de eerste naoorlogse gebruiker 580 Munitie Depot Compagnie en in 1966 heeft de EOD het fort gedeeltelijk in gebruik genomen en later werd het alleengebruiker.
Helaas verdween in 1978 ook de waaiersluis bij het Spoel. Een poging om deze waaiersluis onder bescherming van de Monumentenwet te krijgen had geen succes. Delen van de sluis zijn nog wel onder het dijklichaam aanwezig. Tot slot kwam Werk aan het Spoel op 26 februari 1960 op een tragische wijze in het nieuws, toen zich bij de vernietiging van afgekeurde munitie een hevige explosie voordeed. Hierbij vielen een dode en enkele zwaar gewonden.
Restauratie van werk aan het Spoel
In 2001 kwam Werk aan het Spoel in het bezit van de gemeente Culemborg. Naar een idee van Stichting Werk aan het Spoel onderging het terrein in 2007 een volledige metamorfose. Landschapsarchitect Ronald Rietveld en kunstenaar Erick de Lyon maakten de oorspronkelijke vorm van het bolwerk op een andere manier zichtbaar. Het ontwerp bestaat uit een grassculptuur waarvan zowel historische als nieuwe elementen deel uitmaken. Tegenwoordig dient Werk aan het Spoel als thuishaven voor verschillende culturele evenementen
Rondleidingen
Onze gidsen vertellen je graag meer over de historie van het werk. Kijk op de Rondleidingen pagina voor de mogelijkheden.




